Het ontstaan van Witteveen

Het ontstaan van Witteveen

De geschiedenis van het dorp Witteveen begint in 1924. Het is de periode dat de werkgelegenheid in de vervening in de regio snel terugloopt. Steenkool uit de mijnen in Zuid Nederland verdringt in korte tijd de turf als brandstof, met werkloosheid en armoede onder de veenarbeiders als gevolg. De regionale overheid besluit als werkverschaffing een van de laatste stukken veen te laten ontginnen, het Witteveen. Vele werklozen uit Zuidoost Drenthe worden in het Witteveen aan het werk gezet. De grond die klaar is voor gebruik wordt verpacht, ook aan de arbeiders. De eerste huizen worden gebouwd, bij elk huis hoort een hectare grond om zelf groenten te verbouwen. De eerste generatie bewoners wordt streng geselecteerd op hun motivatie en mogelijkheden. Zo wordt een basis gelegd voor de overgang van ontginningskolonie naar dorp, van veenarbeider naar landarbeider of boer. Het dorp Witteveen wordt in 1926 gesticht. Een bezoekende politicus is zo enthousiast dat hij de bewoners allemaal een geit geeft om ze zelfvoorzienend te laten zijn.

Ook is er oog voor het groen dat de leefbaarheid van een dorp in wording zo sterk bepaalt. De openheid van het omringende landschap wordt gebroken met beplanting rond boerderijen en langs wegen. De bestaande omliggende dorpen hebben van oudsher een ‘brink’ – een open ruimte in het dorp dat naast het verzamelen van de schapen om de hei op te gaan ook diende als sociale ontmoetingsruimte. Daarom krijgt de kern van Witteveen een langgerekt plantsoen met gazons en bijzondere struiken als rododendrons: ‘de Sigaar’. Even buiten het dorp wordt 165 hectare productiebos aangeplant. 

Geleidelijk krijgt de ongerepte omgeving een agrarisch karakter. En de gemeenschap verandert mee. Vanuit de lotsverbondenheid vormt zich een sterk gevoel van solidariteit en ‘naoberschap’. Begin jaren dertig wordt een lagere school gestart en een bibliotheek en een dorpshuis ingericht. Vanzelfsprekend ontwikkelt ook de middenstand zich geleidelijk en vestigen zich een bakker, een slager, een smid, een kruidenier, een schoenmaker en een manufacturenwinkel in het dorp. Op het gebied van sport en ontspanning ontstaat een breed scala aan verenigingen zoals de ijsvereniging Wintervreugd uit 1933 en Plaatselijk Belang uit 1948. Vanaf de jaren zestig verdwijnt de detailhandel langzamerhand weer uit het dorp, de kruidenier sluit als laatste in 1985 zijn deuren. Enerzijds wordt dit veroorzaakt doordat inwoners op het platteland veel meer mobiel zijn geworden. Het autobezit is gemiddeld 1.8 auto per huishouden. Anderzijds heeft de supermarkt, met meer aanbod en lagere prijzen, de detailhandel weggeconcurreerd.  

Het dorp behoort vanaf het begin tot de gemeente Westerbork. Als in 1998 de Drentse gemeentes opnieuw worden ingedeeld, wordt het dorp deel van de grotere gemeente Midden-Drenthe, met als hoofdkern Beilen. Witteveen is een veendorp (het grootste deel van de gemeente bestaat uit zandgronden) dat de kenmerkende nadelen daarvan (blijvende sociaal-economische knelpunten) achter zich heeft gelaten. In de gemeente wordt het dorp gezien als een open en ondernemende gemeenschap, hetgeen zich onder meer uit in een handen-uit-de-mouwen mentaliteit, het bovengemiddeld aantal ondernemers en ZZP-ers in het dorp en de probleemloze integratie van nieuwe bewoners uit andere delen van het land.  

Meer details over de geschiedenis van Witteveen zijn hier te vinden.